Zwerven, zweten … en zen zijn in de Puy-de-Dôme, land van vuur en groen
Van zinderende vulkaanwegen tot uitgestrekte hoogplateaus en zuurstofrijke bossen: een reis vol hitte, horizon en harmonie langs romaanse kerken, donkere meren en kleine dorpen.
Onvermoeibaar danst de lucht boven het asfalt dat gloeit als een zwarte ovenplaat. Al uren kleven we vast aan het zadel en vervloeken we die figuurlijke laatste loodjes. Eindelijk zien we donkere silhouetten hun kop opsteken aan de horizon. De slapende vulkanen van de Auvergne weten ongetwijfeld wat warmte is. Ze lijken ons eerder uit te lachen.
In de ban van de hitte
Frankrijk kreunt onder een canicule, hondsdagen zoals ze dat bij ons in de volksmond zeggen. De Romeinen gaven de schuld aan Sirius, de felste ster in het sterrenbeeld van de Grote Hond. Die komt in augustus mee op met de zon. Twee ovens aan het firmament, dat kon niet anders dan bakken of braden betekenen toen.
Mythe of niet, de thermometer tikt nog altijd meer dan 30 graden aan, wanneer we in de late namiddag onze auberge in Besse opzoeken. Het middeleeuwse lavastadje in het hart van het regionaal natuurpark Volcans d’Auvergne ligt duizend meter hoog, en toch smelten we als boter op een braadpan. Dat belooft voor de volgende dagen.
Kuuroorden en kratermeren
Vroeg opstaan is niet hetzelfde als vroeg vertrekken. Hierdoor missen we de ochtendkoelte hoog boven Besse. Een modern skioord als Super-Besse kan ons sowieso niet bekoren, maar zo laten we ook het lac Pavin links liggen. Het ronde kratermeer is nochtans een lust voor het oog, zeker als je weet dat dit de mond is van de jongste vulkaan op het Franse vasteland.
Zowel in La Bourboule als Mont-Dore stappen we kort af. Even lijkt het alsof beide thermaalstadjes een heilzame uitwerking op onze lome ledematen hebben. Of is het de straffe koffie die we drinken op één van hun vele terrassen? We vertoeven overigens in knap gezelschap. Hoe noem je anders de verweerde vulkaantoppen van de Monts Dore, met de Puy du Sancy als uitschieter van het Centraal Massief?
Het dak van de Auvergne tekent ook voor het decor achter het lac de Chambon. Het ondiepe meer is bijzonder in trek bij jonge badgasten. Waar we enkele jaren terug het departement van de Puy-de-Dôme voor ons alleen hadden, weliswaar onder een dreigende junihemel, blijkt nu half Frankrijk verkoeling te zoeken aan zijn meren.
Lac de Guéry is dan ook een zegen. Het hoogste en misschien wel het meest geheimzinnige van alle vulkaanmeren is verboden terrein voor welke recreatie ook (behalve ijsvissen, zo lees ik ‘s avonds in het hotel). De charmante auberge aan de voet van het meer is gesloten, maar het uitzicht op het donkere meer is er niet minder om.
Basaltformaties en romaanse kerken
Boven op de col, aan de andere kant van het meer, is het opnieuw een komen en gaan van auto’s en motoren. Een snackbar doet gouden zaken, maar wij zijn gekomen voor het panorama op de iconische roches Tuilière et Sanadoire, twee basaltformaties die als zwarte wachters in een zee van groen staan.
Drinken – één liter citroenwater! – doen we in Orcival. Het kleine dorp is bekend voor zijn Notre-Dame, één van de 5 grote romaanse kerken van de Auvergne. Binnen is het lekker koel. De stenen muren ademen goddelijke stilte, de kapitelen op de pijlers vertellen elk hun verhaal. Maar we moeten verder, het is nog een flink eind naar Issoire. Daar wacht ons een kamer met airco. Heerlijk is dat!
Ook Issoire heeft met zijn zandstenen abdijkerk een romaans juweel. Zelf kennen we het stadje van de Voxan-motoren die er kortstondig werden geproduceerd. De zware V-twins konden echter niet concurreren met die van Ducati en Aprilia. Na een decennium vol financiële problemen viel het doek over het Franse project. De merknaam leeft vandaag voort in de Voxan Wattman, een elektrische motorfiets waarmee snelheidsrecords worden verbroken …
De Cézallier, Frans Mongolië
Zelf zijn we in de ban van een ander hoogtepunt dat hier dezer dagen wordt genoteerd. Na de 40 graden van gisteren zitten we vandaag wel bijzonder vroeg in het zadel. De Boucle Cézallier die we rijden, brengt ons naar een vergeten landschap tussen Issoire en Besse, over een uitgestrekt vulkanisch plateau dat je eerder in Mongolië verwacht.
Dat betekent helaas ook weinig schaduw en een horeca die even dun gezaaid is als de haren op een naaktkat. Onze eerste koffie van de dag drinken we pas in Ardes-sur-Couze, een oud leerlooiersdorp dat de poort is tot de Cézallier. Geloof het of niet, we betalen slechts 1,30 euro voor een café crème! De vriendelijke dame van het antiekwinkeltje toont ons bovendien waar ook de Ducati zijn dorst kan lessen. We zitten per slot van rekening in Mongolië en hebben nog wat kilometers voor de boeg!
Het lichtgolvend hoogplateau van de Cézallier is een leeg landschap. Hier en daar een afgeronde basaltkegel, een stenen herdershut (buron) met wat potige Salers-koeien in de wei, en verder niks dan een open landschap waar kleine D-wegen zich kronkelend een weg doorheen banen. Geen bomen. Geen verkeer. Enkel land. En lucht. Kilometers ver. De Testastretta bromt en grolt alsof hij ons wil zeggen dat hij verder wil. Zou hij ook last hebben van de hitte die ons almaar benauwender in haar tang neemt?
Groene graslanden hebben plaats gemaakt voor een geel steppenlandschap dat schreeuwt naar regen. Zomer of winter, het bestaan is ongetwijfeld hard op de hoogvlakten van de Cézallier. De weinige dorpen tellen meer koeien dan inwoners. Neem nu La Godivelle, waar we te laat komen voor een hap in het enige restaurant in de wijde omgeving … en dan maar met een ijsje de ergste honger stillen.
Het hoogst gelegen dorp van de streek is tevens het minst bevolkte van het ganse departement. Enkele huizen, een grote fontein (de grootste van het departement, jawel) en twee meren, een glaciaal beneden en een vulkanisch boven. Enkele honderden meters uit elkaar, maar wel enkele duizenden jaren verschil in tijd. Dat is ook de reden waarom we hier opnieuw zijn. Tussen twee meren, in totale stilte. Balsem voor de geest. Op de terugweg rijden we nog even om naar het kaasdorp Saint-Nectaire. Kwestie om ook het lichaam wat brandstof te geven …
De Combrailles, groene tussenzone
Minder imposant dan het ruige vulkaanlandschap van de puys, maar gevarieerder en groener dan de weidse hoogvlakte van de Cézallier zijn de Combrailles. Het gebied vormt de overgang tussen het Centraal Massief in het zuiden en de lager gelegen vlaktes naar het noorden. Ook hier heeft de toeristische dienst een motorrit uitgestippeld die ons de mooiste hoekjes laat zien.
Van Issoire gaat het in één ruk – nou ja, mits een korte stop in Saint-Saturnin voor kasteel en kerk – naar de Combrailles en de Sioule die op spectaculaire manier de streek doorklieft. Als we in Queuille hoog boven de Sioule de rivier zien kronkelen als een slang weten we dat dit hét plaatje van de reis wordt. Het uitzichtpunt doet zijn naam van Le Paradis alle eer aan. De plek is een stukje hemel op aarde, dat we dan nog eens voor ons alleen hebben.
Genoeg gestopt. Rijden willen we. Wat wind pakken vooral. Onder een brandende zon is het een verademing wanneer de weg zich door verkoelende bossen slingert. Af en toe passeren we kleine dorpen, waarvan we de naam zo vergeten zijn. Op de een of andere manier zijn we totaal zen, alsof de rustieke schoonheid van de natuur de hitte verzacht.
Natura Tazenat, terug naar de natuur
Harmonie met de natuur vinden we ook in Natura Tazenat, onze eco-bestemming op wandelafstand van de Gour de Tazenat, een perfect rond meer, geboren uit een explosieve ontmoeting tussen magma en grondwater. Eenvoud, authenticiteit en stilte sluiten perfect aan bij de karakteristieken die de Combrailles zo aantrekkelijk maken. Vogeltjes die zingen zoals ze gebekt zijn, eekhoorntjes die wegritselen tussen de bladeren, een spin die zich niet zomaar laat wegzetten in onze boshut, ideaal om op adem te komen na het intensief rijden van de voorbije dagen.
De andere helft van de Combrailles-lus is minstens even leuk om te rijden. Koffie in het kuuroord Châtel-Guyon, hoe kan het ook anders, en daarna is het al Sioule dat de klok slaat. Eerst staan we stil voor een ijzeren spoorwegbrug. Dat is niet de eerste de beste. De Viaduc des Fades was bij zijn bouw in het begin van vorige eeuw de hoogste spoorwegbrug ter wereld, zo blijkt. Treinen sporen er al enkele jaren niet meer over, maar je kan wel met een elektrische railfiets meer dan 130 m boven de vallei van de Sioule rijden.
Slingeren langs de Sioule
Een knap staaltje ingenieurswerk dat nog altijd tot de verbeelding spreekt. Er zit dan ook een mooi verhaal aan de locatie vast. Zo zouden feeën, fades in het occitaans, twee tantes hebben ingefluisterd om hun spaarpot leeg te schudden voor de noodzakelijke bouw van een brug over de rivier. Of hoe een legende deze plek niet alleen een naam geeft, maar ook een zweem van magie.
Magie en romantiek gaan vaak hand in hand. Dat zien we als we in het dorp Menat een eeuwenoud bruggetje over de Sioule oprijden. Een verliefd koppel op een bank heeft helemaal geen ogen naar ons en vertoeft in een andere wereld. Een sliert kanovaarders maakt even wat lawaai en dan keert de rust terug. We slaan het allemaal graag gade en nemen ondertussen grote slokken water. Dat heeft nog nooit zo gesmaakt!
Eindigen doen we even spectaculair als dat we de rit begonnen zijn in de Combrailles. We volgen het bochtenparcours van de Gorges de Sioule helemaal tot in Ébreuil. Met opnieuw +35 graden houden we de fotostops hierna voor bekeken. Compleet gaar in eigen nat spoeden we ons naar onze cabane in het bos. Daar wacht ons een mand vol lokale lekkernijen … en een flesje wijn. Ramen open, de geur van het bos en in de verte het geluid van een ezel, die nacht slapen we diep …
Naar de bossen van de Forez
De volgende ochtend trekken we verder, oostwaarts. We rijden dieper het groen in, richting Forez. De hitte blijft ons op de hielen zitten, maar hier zijn de bossen dichter en is de lucht frisser. Rond de middag bollen we Thiers binnen. Toeval of niet: we vinden nog net een plekje voor de motor in de Rue du Pirou, het hart van de oude bovenstad. En nóg belangrijker: een restaurant heeft nog een terrasje vrij voor twee personen. We schuiven vast de voeten onder tafel, want in Frankrijk eet je op het juiste uur … of je eet helemaal niet!
Thiers leeft van staal. Al sinds de middeleeuwen maken ambachtslui hier messen. In de Vallée des Usines dreef de rivier Durolle eeuwenlang de slijpstenen aan. Vandaag komt nog altijd driekwart van alle Franse messen uit deze stad. Van eenvoudige keukenmessen tot kunstige exemplaren met ingelegd handvat, ze worden hier nog altijd met dezelfde toewijding gemaakt.
We laten Thiers achter ons en kiezen voor kleine wegen. Ze draaien en keren, smal maar verrassend leuk om rijden. In Vollore-Ville zitten we alweer op terras, deze keer voor een Perrier. En voor het kasteel uiteraard. Dat is trouwens nog altijd in bezit van nazaten van markies de La Fayette, de Franse generaal die meevocht in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Het panorama vanop de kasteelheuvel is indrukwekkend.
Onze geplande chambre d’hôtes in Charguelon blijkt dubbel geboekt. We worden doorverwezen naar Maison Neuve in Grandval, twintig kilometer verder. We mogen de motor in de tuin parkeren, dat is goed. ’s Avonds moeten we wel op zoek naar eten. De Forez is geen restaurantstreek. Drie dorpjes, vijf gesloten deuren. Gelukkig is er een goed hotelrestaurant in Chambon-sur-Dolore … 15 km verder. Truffade hebben we al gehad, kikkerbilletjes slaan we over. We kiezen iets eenvoudigs. Ondertussen bundelt de zon haar laatste licht om de dag in schoonheid te laten eindigen. We koesteren het moment. Dit is een plek naar ons hart (en onze maag).
De cols van de Monts de Forez
Met amper 15 graden is het best ochtendfris op de motor. De weg naar Ambert is een rustige opwarmer. Het kaasstadje zelf draait ook nog op stationair toerental. We doen zoals de locals en drinken koffie in de schaduw van zijn reusachtige kerk. Een dorpssfeer in een stad, een ‘stad van vrienden’ zoals Ambert wordt genoemd. Voor ons is het de stad van Fourme d’Ambert, blauwe kaas in cilindervorm.
In Viverols nemen we een brokkelweg naar het middeleeuws kasteel boven het dorp. We staan er helemaal alleen en genieten van het uitzicht op dorp en dal. Vanuit Saint-Anthème wringt de D106 zich omhoog, bocht na bocht. Eerst duiken we een bos van sparren in, dan opent het landschap zich. Langs de weg liggen jasseries, zomerboerderijen waar vroeger kaas werd gemaakt.
In één ervan, de Jasserie du Coq Noir, schuiven we alweer onze voeten onder tafel. Geen patia meer, het typische aardappelgerecht van de streek, maar wel een plank vol kaas en charcuterie … én een uitzicht om van te smullen. Een heuvelend hoogplateau ontvouwt zich in al haar weidsheid. Dit is het gebied van de Hautes-Chaumes du Forez, een boomloze hoogvlakte op 1.400 meter hoogte, bestaande uit golvende graslanden, heide en veenlandschappen.
Uiteraard rijden we nog even verder, naar de Col du Béal, met zijn 1.387 m de hoogste bergpas van de Monts du Forez. Het uitzicht is hemels. We kunnen ons amper voorstellen dat hier maanden sneeuw kan liggen. De Forez is één van de koudste streken van Frankrijk, zo vertelt ons één van de Fransen die zijn fiets nonchalant tegen het bord met de naam van de col gooit. Maar niet vandaag dus …
Regen op komst
De volgende dag is de thermometer naar normale waarden gezakt. Regen nadert. Tijd om te vertrekken. Langzaam verdwijnt het groen in de spiegels. De snelweg wacht, maar in ons hoofd zit nog de stilte van de Forez.
Praktische informatie
Ligging
Het departement Puy-de-Dôme ligt in het hart van Frankrijk en maakt deel uit van de regio Auvergne-Rhône-Alpes. Het landschap wordt gekenmerkt door een keten van vulkanen, hoogplateaus, valleien en bossen.
Afstand
De rit naar Clermont-Ferrand, hoofdstad van het departement, kost je een dag, zeker als je de tolwegen op je gps hebt uitgevinkt. Overnacht je halverwege, dan kom je uitgerust aan op je bestemming.
Bezienswaardigheden
Chaîne des Puys met de iconische Puy de Dôme (UNESCO Werelderfgoed)
Monts Dore met de hoogste top van het Centraal Massief, de Puy de Sancy (1.885 m)
Kratermeren: Lac Pavin, Gour de Tazenat
Hoogplateau van de Cézallier: leeg en desolaat, ideaal motorgebied
De Combrailles: groene overgangsregio met de spectaculaire meanders van de Sioule
Stadjes en dorpen: Besse, Saint-Saturnin, Châtel-Guyon, Thiers, Ambert
Romaanse kerken: Orcival, Issoire, Saint-Nectaire
Gastronomie: kazen zoals Saint-Nectaire en Fourme d’Ambert, truffades en lokale charcuterie
Inwoners
664.385 inwoners
Oppervlakte
7.970 km² (83 inw/km²)
Hoogste punt
Puy de Sancy, 1.885 m
Laagste punt
Allier-vallei bij Auzat-sur-Allier, ca. 300 m
Klimaat
Gematigd bergklimaat. Zomers warm en droog, met soms extreme hittegolven. Winters koud met sneeuw, vooral in de Monts Dore en op de hoogplateaus.
Overnachten
De Auvergne is een gastvrije streek, waar de toeristen graag komen. Zoals elders in Frankrijk kan je er op verschillende manieren overnachten. Onze voorkeur gaat uit naar chambres d’hôtes, die persoonlijker zijn en waar je gemakkelijk je motor kan stallen (en eventueel iets eten, zodat je geen kilometers in het donker moet rijden). Auberges of hotels zijn handig in stadjes zoals Issoire of Thiers en verhogen de kans op airco bij tropische zomertemperaturen. Campings en ecolodges, zoals in de Combrailles, zijn een aanrader voor wie eenvoud en rust zoekt. Weet wel dat de horeca dun gezaaid is in streken als de Cézallier of de Forez, waar je kilometers moet rijden om iets te vinden. Ga er niet van uit dat je wel iets onderweg tegenkomt (in dorpen vind je vaker een fontein dan een café) en denk eraan dat de Franse keuken tijdsgebonden is. Verwacht ook geen haute cuisine in dorpsrestaurants, maar stevige boerenkost zoals truffade, patia, charcuterie en lokale kazen (Saint-Nectaire, Fourme d’Ambert).
Contact
