Naar de Aveyron en de Tarn? Gaarne!
Woest en onherbergzaam, maar ook vriendelijk en vreedzaam, zo presenteren beide departementen zich in het zonnige Franse zuiden. Diepe kloven en eenzame hoogplateaus wisselen er af met rollende heuvels en zuurstofrijke bossen. Een streek waar de natuur met een hoofdletter wordt geschreven en waar al die middeleeuwse dorpen meer bieden dan een schaduwrijk terras!
Wie een beetje met de kaart van Frankrijk vertrouwd is, weet dat de meeste Franse departementen de naam dragen van een rivier. Allicht weet hij of zij dan ook dat de Aveyron een zijrivier is van de Tarn. Als beide rivieren in hun gelijknamig departement dan nog eens vrank en vrolijk in het zuiden stromen, dan weet je als motorrijder toch genoeg?
Toch hebben we de twee departementen in de Occitaanse regio niet enkel voor hun rivier eruit gepikt. Zowel de website van Toerisme Aveyron als die van Toerisme Tarn herbergt een schat vol motorritten. Hapklare toertochten die zalige wegen met het mooiste aan natuur- en stedenschoon verbinden. Fantastisch weer, een voortreffelijk hotel én het nec plus ultra op twee gemotoriseerde wielen … meer hebben we niet nodig aan de vooravond van een onuitgegeven zomer.
Sévérac-le-Château als motorhub, praktisch én prachtig.
Sévérac-le-Château, zo heet de plaats waar we voor enkele dagen ons bedje (laten) opmaken. Het middeleeuwse kasteeldorp ligt dicht bij de A75 en is de ideale uitvalsbasis voor enkele goedgevulde rondritten door afwisselend weidse hoogvlaktes en ingesneden rivierdalen. Een prima hotel niet ver vanwaar de Aveyron ontspringt én een nabijgelegen zelf-carwash waar we dagelijks de 170 paarden onder onze billen schoonwrijven, mens en machine komen heus niets tekort!
Een strategische ligging die de heren van Sévérac al niet onbenut lieten in de middeleeuwen. Hun feodale burcht werd in de renaissance grondig verbouwd tot een kasteel, waarvan de resten al van ver zichtbaar zijn. Heb je na een dagje toeren nog wat reserve over in de benen, dan moet je beslist de heuvel op. Vanop de kasteelmuren is het puur genieten van het zicht op het dorp en de vallei van de Aveyron. Het verleden is nooit ver weg in Frankrijk, maar een dwaaltocht in het schemerduister van het versterkte dorp flitst je zo terug in de tijd.
Sévérac-le-Château is één van de twintig kastelen die de ‘Route des Seigneurs du Rouergue’ met elkaar verbindt. We zitten dan ook in het oude graafschap van de Rouergue, dat zijn naam ontleent aan het volk der Ruteni. Het woongebied van deze Keltische volksstam viel vóór de komst van de Romeinen grotendeels binnen de grenzen van de huidige Aveyron. In een streek waar de natuur op haar mooist is, gaan we echter volledig plat voor een toer die ons over verschillende kalksteenplateaus voert.
Millau, waar techniek poëzie wordt
Het belangrijkste toeristencentrum in deze uitgestrekte karstplateaus (causses) is ongetwijfeld Millau. Wie ook maar in de buurt is, komt er zich vergapen aan ‘s werelds langste en hoogste tuibrug. Het viaduct van Millau is zonder meer een knap staaltje van technisch vernuft, zoals het over een lengte van meer dan 2 km de vallei van de Tarn overspant. De hoogste pijler van de brug is zelfs hoger dan de Eiffeltoren, welke ooit nog door dezelfde firma werd gebouwd. Cijfers die ons doen duizelen, net als het zicht vanop de Aire du Viaduc.
Vanuit het best gezellige Millau leidt de D41 ons pal onder de gigantische brug naar het iets verder gelegen Peyre. Het tufstenen troglodietendorp hangt precies zoals het viaduct op spectaculaire wijze boven de Tarn. Een beeld om in te kaderen en waarmee Peyre zich terecht tot één van de mooiste Franse dorpen labelt. Van alle Franse departementen bezit dat van de Aveyron trouwens het grootste aantal van zulke dorpsschoonheden.
Roquefort en tempeliers
Even volgen we het bochtig parcours van de rivier om in Saint-Rome-de-Tarn de weg naar Roquefort-sur-Soulzon te nemen. De talloze schapen die we onderweg tegenkomen, leveren melk voor de beroemde schimmelkaas … én huiden voor de kwaliteitshandschoenen van Millau. Helaas lust de juffrouw achterop enkel nog Saint-Nectaire sedert onze laatste Auvergne-reis. Een bezoek aan de grotten, waar de blauw dooraderde kaas mag verder rijpen, slaat ze dan ook vastberaden af. Volgens haar kunnen we niet snel genoeg het dorp uit zijn om de doordringende geur van kaas van ons af te schudden.
Niks aan de hand, zo hebben we meer tijd in Sainte-Eulalie-de-Cernon. Het bevallige plaat(s)je was één van de vijf commanderijen, die de Orde van de Tempeliers in bezit had op de barre gronden van de Causse du Larzac. Na hun rampzalige exit in die al even waanzinnige veertiende eeuw namen de hospitaalridders maar al te graag de boel over. Zij versterkten hierna één voor één het handvol dorpjes, welke er nog altijd uitzien alsof de kruisridders pas zijn vertrokken naar het Heilig Land!
Om een en ander goed te maken, mag de Italiaan de leiding nemen op de kronkelende D992. Het landschap is dan ook navenant. Op de scheiding van de Causse du Larzac en de Causse Noire heeft de Durbie een kloof uitgesneden die best gezien mag worden. Minder bekend dan de nabijgelegen Gorges du Tarn, maar spectaculair genoeg wanneer grillige rotsformaties als een stad van steen boven ons hoofd opduiken. De Aveyron houdt van verrassingen!
De leegte van de Aubrac
Wolwitte schapen in een woest rotslandschap maken de volgende dag plaats voor reebruine runderen met puntige hoorns op een boomloos grasland zo ver het oog reiken kan. De Aubrac die zich zo kenmerkend presenteert, is een eenzame hoogvlakte van vulkanisch graniet. Hier hebben alle weerelementen vrij spel en zijn de dorpjes (én horeca!) nog dunner gezaaid dan op de karstplateaus waar we gisteren zijn doorgereden. Bij dik boven de 30 graden moet ik echt alles uit de kast halen om mijn passagier ‘warm’ te maken voor alweer een rit van meer dan 150 km!
Gelukkig loopt het niet zo’n vaart in het begin. Aan de vallei van de Lot hebben we de beste herinneringen en van Saint-Geniez-d’Olt-et-d’Aubrac weten we dat het aangenaam zitten is aan de brug over de rivier. Anders wordt het van zodra we via de D19 de zuidwestelijke rand van de Aubrac binnenglippen. In het pelgrimsdorpje Saint-Chély-d’Aubrac kunnen we met veel geluk nog een terrasje versieren, maar daarna trekt het asfalt een slingerende lijn door een leeg landschap van bruin, groen en geel. Robuust rundvee op weilanden vol bloeiende gentiaan houdt ons langs weerszijden van de weg gezelschap tot in Laguiole.
Hiermee zijn we in het grootste dorp van de Aubrac beland. En natuurlijk zijn daar ook de toeristen weer. Die komen voor de fraai bewerkte zakmessen en de harde koekaas waarvoor het dorp bekend staat. Of voor een drankje, want dat is meer dan welkom in deze verschroeiende hitte. Een halfuur later doen we hetzelfde nog eens over, deze keer in Espalion. Het stadje heeft zich met zijn roze brug over de Lot lieflijk in de vallei genesteld. Geflankeerd door de uitlopers van de Aubrac en de Causses is het dubbel genieten op de Pont Neuf. Dat doen we ook met een drankje en een ijsje.
De bossen en meren van de Lévézou
De ene hoogvlakte is de andere niet. Dat geldt zeker voor het kristallijn plateau van de Lévézou, in het midden van de Aveyron. Bedekt met tal van bossen en meren is het iets pastoraler en vriendelijker dan zijn buren. Ook hier kleeft er geen Peugeot of Citroën aan ons wiel. Zelfs de Fransen zijn van de hond geslagen. Zo mag je de ‘canicule’ die we nu al enkele dagen trotseren gerust vertalen. Als je niet buiten moet zijn, blijf je beter binnen. Ik hoor het onze weerman zo zeggen in het journaal. Al die prachtige D-wegen hebben we gelijk weer voor ons alleen!
Zelfs aan de verkoelende meren, waarvan dat van Pareloup het grootste is, ligt er nauwelijks volk op het strand. De schaduw van een strandbar is een veel gezonder alternatief. Lang kunnen we er helaas niet blijven zitten. Honger ranselt ons meedogenloos uit die luie stoel. In Salles-Curan, waar de bisschoppen van Rodez hun zomerresidentie hadden, ploffen we na het eten vadsig op een bankje. Wat is het leuk om al dat komen en gaan op het dorpsplein gade te slaan! Hoe dan ook ‘werken’ we elke kilometer van de rit tot de laatste zweetdruppel af. Volharding die we later op de avond belonen met een hoogtoerig ritje naar de Gorges du Tarn. De beroemde kloof bijt al een poos in de Pirelli’s …
Een kathedraal als vesting
Rustig vervolgt diezelfde Tarn meanderend zijn weg door het departement dat zijn naam draagt. In Albi deelt de rivier de ‘rode’ hoofdstad mooi in twee. Eeuwenlang overbrugt de 150 m lange Pont Vieux beide delen van de stad. Apetrots zijn de inwoners op hun oude brug. Net als op hun kathedraal die als een bakstenen burcht de middeleeuwse skyline domineert. Die torenhoge vestingkerk was blijkbaar van moeten, want na de kruistochten tegen de Katharen (ook wel Albigenzen genoemd) wilde de Kerk groots uitpakken met haar overwinning op de afvalligen. Toch moet de bisschop in de stad niet erg op zijn gemak zijn geweest, te oordelen naar het weerbare uitzicht van zijn ‘paleis’ naast de kerk.
Zowel de kathedraal van Sainte-Cécile als het Palais de la Berbie zijn top. De eerste omwille van haar volledig beschilderde muren en gewelven, de andere voor zijn uitgebreide collectie schilderijen, litho’s, tekeningen en affiches van de in Albi geboren Henri de Toulouse-Lautrec. Hoe het de manke bohemien al schilderend en schetsend verging in de fin-de-siècle cabarets van Parijs komen we te weten tijdens een nachtelijk klank- en lichtspel op de muren van de tuin.
Als toerist kan je niet beter zitten in Albi of in het 40 km zuidelijker gelegen Castres om het departement van de Tarn te verkennen. Het open landschap heeft met zijn typische heuveldorpen tussen glooiende velden en oude wijngaarden wel iets van een luilekkerland. Al voelen we ons eerder in een bakoven bij temperaturen die elke dag de pan uitswingen. Hoe verklaar je anders het stroperige asfalt aan onze schoenen als we iets te lang met de motor op de weg blijven staan?
Stilstaan is sowieso geen optie met een volbloed Italiaan tussen de benen. Vanuit Albi voert een stevige lusrit ons van de ene bastide naar de andere in de wijnstreek van de Gaillac. De Tarn telt al gauw enkele tientallen van die versterkte heuveldorpen. Net zoals op andere plaatsen in het zuidwesten schoten nieuwe stadjes als paddenstoelen uit de grond na de verwoestende doortocht van de kruisvaarders uit het noorden.
Cordes-sur-Ciel, een dorp boven de wolken
Vanop de heuveltop van de Pied Haut laten we de Ducati onverschrokken meegenieten van een hemels uitzicht op het 800-jarige Cordes-sur-Ciel. Vroeger heette dat trouwens nog gewoon Cordes. Omdat bij laaghangende mist het hooggelegen bastidedorp wel eens half door de wolken durft te priemen, heeft men er dit veelzeggend suffix aan toegevoegd. Stoere stadspoorten en gotische gevels langs met kinderkopjes beslagen straatjes deden de Fransen het in 2014 tot hun meest geliefde dorp verkiezen.
Een keuze waarin we ons helemaal vinden, al klikt de camera even onophoudelijk in al even fotogenieke plaatsjes als Penne, Bruniquel en Puycelsi. Het lijstje van Frankrijks mooiste dorpen lijkt wel oneindig op deze rit. Op het ingetogen marktplein van Castelnau-de-Montmiral, een prachtvoorbeeld van een middeleeuwse bastide, sluiten we het rijtje in schoonheid af. Een glaasje Gaillac onder de arcaden hebben we echt wel verdiend vandaag.
De Ségala, het stille Frankrijk
Na het Pays des Bastides volgt met het landschap van de Ségala opnieuw een stevige toerrit. De streek oogt iets minder Toscaans dan zijn bastidebuur, maar ziet er met zijn valleien en heuvels in een zinderend zonlicht nog altijd uitgesproken Occitaans uit. Ségala haalt zijn naam uit het Franse woord voor rogge (seigle), dat men lange tijd alleen op deze arme gronden kon verbouwen. Het lappendeken van velden dat onze blik kruist, bewijst dat een en ander grondig is veranderd ondertussen.
Waar wel de tijd is blijven stilstaan, zijn de dorpen zoals je die zo dikwijls in het landelijke Frankrijk aantreft. Vaak ben je de naam al vergeten nog voordat de kerktoren in je spiegel verschijnt. Met uitzondering van Monestiés en Ambialet, al zitten we met dit laatste dorp alweer in de vallei van de Tarn, stappen we deze keer zo goed als niet van de motor. Het minste zuchtje wind is welkom, temeer omdat ook de horeca niet echt mee wil onderweg.
Castres by night
De Multistrada van zijn kant horen we niet klagen. Genoeglijk grommend bijt de sportieve hoogpoter zich helemaal vast in de onverwachtse kluif die we hem toewerpen. Genieten doen ook wij met wat we later op de avond op ons bord krijgen. Je moet geen kenner zijn om de voortreffelijke én betaalbare Bistrot des Saveurs tot de beste restaurants van Castres te durven rekenen! Dik tevreden kan er nog een wandeling af naar het centrum van de stad. Kleurrijke leerlooiershuizen werpen alsnog hun schaduw in het water van de Agout. Op de sfeervolle Place Jean-Jaurès is het lekker doorzakken op een zwoele maandagnacht. Half Castres is blijkbaar nog te been. Het is per slot van rekening de langste dag van het jaar!
Het uiterste zuiden van het departement ziet er helemaal anders uit dan we tot hiertoe van de Tarn gewend zijn. Donkere bossen hebben de naam gegeven aan de Montagne Noire, waar Atlantische luchten hun mediterrane collega’s ontmoeten. Een duel waarvan de afloop niet lang op zich laat wachten, zoals we merken aan de zon die het steeds moeilijker krijgt. Het middelgebergte is met de iets hogere Cevennen het meest zuidelijke deel van het Centraal Massief. Net als zijn groene buur is het een natuurlijke barrière waar het zalig zuurstof tanken is.
De hangbrug van Hautpoul
In Mazamet, de belangrijkste stad van de Montagne Noire, zijn we zo slim om onze tank vol te gooien. Wat volgt is, op enkele hooggelegen dorpjes na, een circuit van ontelbare bochten doorheen een ongerept maar ruw gebied waar je geen kat tegenkomt. Het perfecte schuiloord voor de Katharen, zo ondervinden we puffend op een korte klim naar het middeleeuwse Hautpoul. Ook vandaag kan je alleen te voet het dorp binnen. Waaghalzen kunnen sinds enkele jaren wel de 140 m lange hangbrug nemen. Bengelend boven de vallei van de Arnette, 70 m hoog, genieten ze er allicht van een sensationeel zicht. Een uitzicht dat ook wij te zien krijgen als we op de verraderlijk smalle bergwegen stoppen om het hoopje kiezelslag te verwijderen van de achterbrug.
Onweersbuien maken die avond in Castres met veel spektakel een einde aan de extreme hitte. Helemaal droog hebben we het niet gehouden deze reis: een emmer vol hebben we uitgezweet, op en naast de motor! Maar wat een zalige motorweek hebben we gehad …
Praktische informatie
Ligging
De Aveyron en de Tarn zijn twee departementen in het noorden van Occitanië. Hoewel de Zuid-Franse regio pas in 2016 zo werd genoemd, is het de oude benaming voor het gebied waar sinds de middeleeuwen de ‘langue d’oc’ wordt gesproken (in tegenstelling tot de ‘langue d’oïl’ in het noorden van het land).
Afstand
In vogelvlucht bedraagt de afstand hemelsbreed een 750 km. Vermijd je zoals ons de tolwegen in Frankrijk, dan kom je toch al snel boven de 900 km uit. Maar niemand verplicht je om deze in één ruk af te malen.
Bezienswaardigheden
Aveyron: viaduct van Millau, Gorges du Tarn, de regionale natuurparken Grands Causses en Aubrac, Lac de Pareloup
Tarn: Albi, Castres, Cordes-sur-Ciel, Penne, Bruniquel, Puycelsi, Castelnau-de-Montmiral, Monestiés, Ambialet, Montagne Noire
Inwoners
Aveyron: 280.254 inwoners
Tarn: 389.844 inwoners
Oppervlakte
Aveyron: 8.735 km² (32 inw/km²)
Tarn: 5.758 km² (67 inw/km²)
Hoogste punt
Aveyron: Signal de Mailhebiau, 1.469 m
Tarn: Puech de Rascas, 1.270 m
Klimaat
Op de hoger gelegen plateaus heerst een continentaal klimaat. De lager gelegen gebieden ondergaan de invloed van de oceaan. In de zomer kunnen de temperaturen echter flink oplopen, vooral in het zuidelijke gedeelte.
Overnachten
https://hotelalbi.net/mercure-albi-bastides.htm
Contact
